De koektrommel van oma

Mijn oma had een koektrommel. Of eigenlijk was het geen trommel, maar zo’n grote glazen pot met een deksel er op. Door het glas van de koektrommel heen zag je de heerlijke koekjes. En je kreeg alleen al, als je ze zag, zin om zo’n koekje te pakken en op te eten. Dat mocht van oma. Altijd. En soms zelfs mocht je er twee. “Lekker he”, zei ze dan als je de eerste op had. “Je hebt nu zeker al zin in de volgende. Neem er nog maar eentje dan.” Maar nooit vergeet ik wat ze als laatste altijd zei: “het deksel op de koektrommel jongens. Anders zijn de koekjes niet meer lekker straks.”

De kerk… is die niet net als de koektrommel van oma? De koektrommel die met het deksel er op zorgt dat de inhoud fris blijft. De kerk als de plek waar we samen zijn, elkaar scherp houden, fris blijven en niet slap of smakeloos worden. Mag het dan wel een koektrommel zoals die van oma zijn? Niet dicht, afgesloten, zodat je van buitenaf niet ziet wat in de koektrommel zit, maar als die van oma: van glas!

Je ziet van buitenaf hoe aantrekkelijk de koekjes zijn. De kerk als een transparante gemeenschap die zichtbaar, aantrekkelijk en uitnodigend is voor wie van buitenaf ons zien. Koekjes moeten niet in de trommel blijven! Dan missen ze waarvoor ze gemaakt zijn. Oma zei altijd: ”de koekjes willen graag geproefd worden.” En zoals de koekjes er niet zijn voor de koektrommel, zo is de kerk er niet voor zichzelf. De kerk is er om geproefd te worden door anderen. Smaakmaker voor de wereld. Zout voor de aarde.

Maar het allermooiste van de koektrommel vind ik wel dit: de koekjes komen niet ongevraagd en zelf uit de trommel. Ze werden er door ons uitgehaald. Omdat we ze zagen en ze er zo aantrekkelijk uitzagen dat we niets liever wilden dan minstens één koekje proeven. De kerk is niet de club die ongevraagd zichzelf aandient of zelfs opdringt. Nee, het gaat om een kerk die aantrekkelijk is, aanstekelijk is, aantrekkingskracht heeft. Zodat niet de kerk zelf initiatief neemt en “op de stoep staat”, maar anderen ons zien en initiatief nemen. Omdat ze ons zien en willen proeven om te ontdekken of we echt zo smakelijk zijn als we er uit zien. Misschien wel een spannende vraag: als mensen ons ”proeven”, wat proeven ze dan?

Als we één koekje van oma op hadden wilden we het liefst meteen de tweede. “Nog eentje dan”, zei oma altijd. Smaakt de kerk ook nog naar eentje? naar meer?