Min of meer (bemoediging)

‘Draag elkaars lasten, zo brengt u de wet van Christus tot vervulling.’ Galaten 6,2

Een paar maanden geleden vierde de Vrije Evangelische Gemeente Oude Bildtzijl haar honderdvijftigjarig jubileum. Een felicitatie waard! Ter gelegenheid van dit jubileum verscheen er een prachtig jubileumboekje, geschreven door br. AEsger Stienstra.

‘Oude Leije’ was in de jaren 1850 in allerlei opzichten een uithoek van Friesland. De vuilstortplaats van drie gemeenten was er gelegen, en allerlei ‘uiterst onbruikbare’ mensen uit de regio werden er gehuisvest. Koppelbazen buitten hun arbeiders uit en dreven de cafés (een handvol in een dorp van zeshonderd inwoners!). De slechtste buurt stond bekend als de ‘tranenbuurt’ en het dorp heette ‘het Sodom van het noorden’ of ‘de gehenna [hel] van Friesland’.

Geen enkele fatsoenlijke kerk wilde in dat dorp een gemeente beginnen. Het was een geloofsavontuur van bakker Broersma dat hij wél aan huissamenkomsten begon rond Bijbel en gebed. Dat werd het begin van een zegenrijke arbeid, die al snel daarna kon plaatsvinden in een eigen gebouw en met enkele opeenvolgende evangelisten.

Een geloofsavontuur was de aanstelling van de eerste predikant, ds. Marinus Mooij. Mooij was predikant in Winschoten, een dorp dat ook de bijnaam ‘Sodom van het noorden’ had. – Zo’n predikant durven we wel te vragen, moeten ze in Alde Leije hebben gedacht. Aan de predikant moest een traktement van 500 gulden per jaar en vrije bewoning van een pastorie worden toegezegd. Met die toezegging werd het beroep uitgebracht. Al snel erna bleek echter dat de gemeente maar 50 gulden bij elkaar kon sprokkelen.

Met lood in de schoenen moest de kerkenraad het beroep intrekken.

Met lood in de schoenen moest de kerkenraad het beroep intrekken. Maar ds. Mooij schreef terug: ‘In naam des Heren, het is in die naam, geliefden in de Heer Jezus Christus, dat ik toch volle vrijmoedigheid heb gevonden het beroep aan te nemen. Onze verwachting is van Hem.’ En zo kwam ds. Mooij in 1875 met de trekschuit aan met zijn complete gezin en zou drieënhalf jaar blijven. Er rustte zegen op zijn werk en ook het geld voor het traktement kon bij elkaar gebracht worden, zelfs een paar honderd gulden meer dan de aanvankelijke toezegging.

Zegen zou er blijven, maar geld niet altijd. Zo is er in 1902 grote behoefte aan een nieuwe turfkachel, die de kerk in de winter warm moet stoken. Zestig gulden is ervoor nodig, maar dat kan de gemeente zelf niet bij elkaar krijgen. De hulp wordt ingeroepen van de Vrije Evangelische Gemeente Amsterdam. Die adviseerde om in vertrouwen alvast de kachel aan te schaffen. Uiteindelijk verzamelde de Weteringkerk met enkele andere gemeenten zo veel geld dat naast de kachel ook nog een mooie voorraad turf kon worden aangeschaft.

Er staan meer prachtige verhalen in het jubileumboekje, onder andere van ‘de socialisten’, die een bruggetje hadden afgebroken waarover de catechisanten ’s avonds in het donker terug naar huis moeten. Maar dat is zo mooi dat u het toch echt zelf moet lezen. Dit verhaal van de turfkachel raakt me in het bijzonder, omdat er een vanzelfsprekendheid van uitstraalt dat de ene gemeente de andere helpt.

In de beginselverklaring van de Bond uit 1881 stond al geschreven: ‘De ene gemeente mag de andere niet overheersen of beperken.

In de beginselverklaring van de Bond uit 1881 stond al geschreven: ‘De ene gemeente mag de andere niet overheersen of beperken. Integendeel moet het meerdere der ene dienen om het gebrek der andere te vervullen.’ Twintig jaar later krijgt dat heel praktisch gestalte.

‘Het gebrek der andere te vervullen’ vind ik zo mooi. Er staat niet ‘aanvullen’, zoals je met de bijzondere bijstand een aanvulling kan krijgen als je wasmachine kapot is, maar nooit meer dan strikt noodzakelijk is. Bij de turfkachel wordt ruim geschonken: niet alleen een kachel, maar ook nog brandstof. ‘Vervullen’ betekent dat je een persoon of gemeente tot haar bestemming kan laten komen. De gemeente van Oude Bildtzijl kon door de steun van Amsterdam en andere gemeenten haar bediening vervullen om een getuigende gemeenschap te zijn in een arm dorp.

Ik denk dan gelijk aan Galaten 6,2: ‘Draag elkaars lasten, zo brengt u de wet van Christus tot vervulling.’ God liefhebben en de naaste als jezelf: die wet van Christus kunnen we vervullen omdat anderen ons daarbij helpen. Daarvoor zijn we een Bond.

Ik weet dat er weleens in gemeenten wordt gezegd: ‘Wat hebben we nou aan de Bond? Waarom zijn we daar nog lid van?’ Dan is er natuurlijk een antwoord mogelijk als: ‘De Bond biedt allerlei ondersteuning voor het gemeenteleven en voor de voorgangers.’ Maar ten diepste is de Bond geen wegenwacht, waarvan je lid bent omdat dat weleens handig kan zijn. Je bent als gemeente lid van de Bond omdat je daarmee andere gemeenten kunt helpen lichaam van Christus te zijn: met je geld, met je kennis, met je menskracht (kerkenraadsleden uit een regio vallen in bij een kerkenraad die het alleen niet redt), met je gebed.

‘De kachel staat er en is betaald en het liefdevuur noopt tot wederliefde,’ schrijft ds. Van der Pijl, de predikant van Oude Leije in een dankbrief. Je zou kunnen zeggen: wanneer honderdtwintig jaar later de organist van Oude Bildtzijl soms de samenzang van een landelijke bijeenkomst van de Bond begeleidt, is dat mogelijk omdat vele jaren ervoor gemeenten ervoor zorgden dat Oude Leije er warmpjes bij kon zitten. Laten we zo voor elkaar gemeente zijn. En dan ben ik benieuwd wat voor verhalen er over honderdvijftig jaar verteld worden over hoe de bondsgemeenten elkaar tot vervulling brengen!

Ds. Theo Hettema, staftheoloog Bond VEG ~ Beeld © Google Maps